Gedichten van droefenis en rouw

I

De zomer is druk en hevig
uit de verdorde grond bloeien
de stokrozen donkerrood

ze ligt als een baby in moeder’s schoot
de navelstreng die haar voedt is van plastic
haar vingers gaan, een zachte bries
door mijn haren over mijn wang
‘Ben je daar?’

Op de rand van haar wereld
ben ik haar levenslijn
haar anti-pijnlijn haar troostlijn
in wiens handen kan ik mij aanbevelen

de aarde scheurt schreeuwt spuwt
stenen en gruis ik ben de destructielijn
wie ontfermt zich over mij?


II

Nu de zomer voorbij is

vraag ik
kom sta op en zing met mij want
zonder jou snijden de klanken
uit mijn mond diep in mijn huid
zo diep dat jouw naam
naar buiten schreeuwt
Eurydice mijn Eurydice

What is life to me without thee

zoek ik
iedere nacht tussen
de woorden die in mij woeden
naar je stem zacht en ver
schim tussen schimmen
voorbij, voorbij kreunen ze
als ik me omdraai en ze toezing

What is left if thou are dead

zwijg ik
hoor jij het ook knarsen in je hoofd
al die kleine stukjes
gehakt gezaagd gebeiteld geschaafd gesneden
al die kleine stukjes huid haar bot hoofd hart
zij dansen hun dodendans
you better can be drunk
teken ik op de tafel
vul manden vol dronkemanstranen

What is life without my love

en luister
naar het lachen van de demonen
voorbij voorbij er is geen weg terug
beschouw het nu maar als een late
herfstliefde verloren gegaan
in een kankergezwel dat via de lever
de ribben doorkliefde ja daar
daar is het rood daar

spat het hart uiteen


III

Ik wil zijn als een ijzige kou en
modder en schrale winden
ik wil adem zijn die woorden bevriest en
stemmen breekt in een dunne morgen
ik wil een scheur zijn in de aarde
brak water wil ik zijn en
wat mij aanraakt zal bederven
ik wil een nieuw jaargetij zijn
een getij van de doden

ik ben
log water in monden en ogen
tientallen wonden gekooid in een huid
bloed gestold in de aderen
zo dwaal ik over nevelwegen en word
geliefkoosd door handen die mij zijn vergeten

 


Mijn Euridice 1942 – 1995 

Scroll naar boven